Bevoegdheid pandhouder faillissement schuldenaar aan te vragen

11 april 2017

Eind aan onduidelijkheid. De positie van de pandhouder is wederom versterkt. Nieuwe kansen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2833) bepaald, dat de pandhouder die aan de debiteur van de verpande vordering mededeling van zijn pandrecht heeft gedaan en aldus de bevoegdheid heeft verkregen de vordering te innen, tevens bevoegd is het faillissement van de debiteur aan te vragen.

Wat was het geval?

Diamond Invest heeft aan De Veenbloem bedrijfsruimte verhuurd. De Veenbloem heeft een achterstand in het betalen van de huurpenningen. Diamond Invest heeft uit hoofde van de huurovereenkomst een vordering op De Veenbloem. Megalim heeft een pandrecht op de vordering van Diamond Invest op De Veenbloem en zij heeft daarvan mededeling gedaan aan De Veenbloem. In deze zaak was het de vraag of Megalim als pandhouder bevoegd is het faillissement van de Veenbloem aan te vragen. Omdat betaling door de Veenbloem uitbleef, had Megalim de rechtbank Noord-Nederland, Locatie Assen verzocht het faillissement van de Veenbloem uit te spreken.

De rechtbank en later het hof hadden beide overwogen, dat een pandhouder niet de bevoegdheid heeft om het faillissement van de debiteur aan te vragen, omdat hij geen schuldeiser van de schuldenaar van de verpande vordering is en deze bevoegdheid ook niet uit het pandrecht volgt. De pandgever is en blijft de schuldeiser, ondanks het feit dat na mededeling van de verpanding de pandhouder inningsbevoegd is, aldus het hof. Dat oordeel vond in de ogen van de Hoge Raad geen genade.

Megalim klaagt in cassatie, dat het hof heeft miskend dat een inningsbevoegde pandhouder wél bevoegd is het faillissement van de schuldenaar aan te vragen. Kan een pandhouder wiens pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van artikel 1 lid 1 Fw? Dat blijkt het geval te zijn. Artikel 1 lid 1 Fw bepaalt dat de schuldenaar die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeisers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement wordt verklaard.

In navolging van A-G Timmerman overweegt de Hoge Raad:

“De in art. 3:246 lid 1 BW bedoelde inningsbevoegdheid (zie hiervoor in 3.3.3) omvat de bevoegdheid tot verhaal van de vordering op het vermogen van de schuldenaar. Daartoe staan de pandhouder de middelen ten dienste die vóór de mededeling van het pandrecht aan de pandgever als schuldeiser toekwamen, zoals die tot uitwinning van de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3619, NJ 2016/34). Ook de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van de schuldenaar strekt tot verhaal van de vordering op diens vermogen. Daarom moet de houder van een pandrecht op een vordering vanaf het moment dat dit pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van art. 1 lid 1 Fw.”

De Hoge Raad had nog overwogen, dat bepaalde schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering ingevolge de wet bij de pandgever blijven. Hierbij heeft de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis gedacht aan handelingen als het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding, alsmede de bevoegdheid tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit.

Op zich valt denk ik voor de uitspraak voor de Hoge Raad veel te zeggen, nu de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement zo nauw verband houdt met de bevoegdheid tot het innen van de verpande vordering, dat deze bevoegdheid met het doen van de hiervóór bedoelde mededeling op de pandhouder dient over te gaan.

Volgens de Hoge Raad omvat de bevoegdheid om in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen, tevens de bevoegdheid tot het nemen van verhaal voor de desbetreffende vordering op het vermogen van de debiteur. Dat is voor de praktijk interessant. Beslaglegging op het vermogen de debiteur behoort hier naar aller  waarschijnlijkheid ook toe, alsook indiening van de verpande vordering ter verificatie in het faillissement van de debiteur door de inningsbevoegde pandhouder en het in ontvangst nemen van een uitkering op die vordering. Dit brengt met zich dat de inningsbevoegde pandhouder niet alleen als schuldeiser in de zin van art. 1 lid 1 Fw moet worden aangemerkt. Hem komen (in beginsel) alle in de Faillissementswet aan de schuldeiser toegekende bevoegdheden toe. Te denken valt hierbij aan het doen van een verzoek aan de rechter-commissaris op de voet van art. 69 Fw, het stemmen in een vergadering van schuldeisers (de stemming over een aangeboden akkoord incluis), het betwisten van vorderingen van andere schuldeisers of van de aan die vorderingen beweerdelijk verbonden voorrang, het doen van verzet tegen een uitdelingslijst, etc.

Wilt u meer weten? Neem dan even contact op met Mink Severiens, partner van Dijks Leijssen Advocaten & Rechtsanwälte (email: severiens@dlar.nl)