Oneerlijke (be)dingen in algemene voorwaarden.

14 juni 2018

Oneerlijke (be)dingen in algemene voorwaarden.

De consumentenbescherming voor wat betreft oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen bedrijven en consumenten is de laatste jaren aanzienlijk toegenomen onder invloed van uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. Juist de Europese richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten heeft de laatste jaren geleid tot een groot aantal uitspraken waarbij consumenten werden beschermd tegen onredelijke bedingen, waarbij hun rechten aanzienlijk werden aangetast. De richtlijn omschrijft dit als volgt. Een beding wordt als oneerlijk beschouwd indien het in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. De vraag is daarbij ook of de consument, indien over een beding in algemene voorwaarden eerlijk was onderhandeld, een dergelijk beding had geaccepteerd.

In contracten met banken en andere financiële instellingen bevatten de contracten vaak oneerlijke bedingen. In veel gevallen heeft het Hof van Justitie dergelijke bedingen ongeldig verklaard (denk aan Euribor et cetera). Onlangs heeft de Hoge Raad een annuleringsbeding in een cursusovereenkomst tussen een particuliere onderwijsinstelling en een student die een Mbo-opleiding Hotelmanagement volgde ongeldig verklaard.

De studieovereenkomst bevatte het beding dat indien de student na een bepaald tijdstip zijn cursusinschrijving zou annuleren het gehele cursusgeld verschuldigd zou zijn. Het betrof een bedrag van maar liefst € 12.600,00.

Het ging hier om een lange opleidingsduur van bijna een jaar. De student had driekwart van de opleiding niet kunnen volgen en werd toch aangeslagen voor het gehele bedrag van € 12.600,00.

Het beding dat de student toch het gehele bedrag moest betalen werd als onredelijk bezwarend en onredelijk beoordeeld. Het verstoort het evenwicht tussen de verplichtingen van partijen volgens de Hoge Raad.

De student had de opleiding moeten beëindigen op basis van zijn psychische gesteldheid.

Een soortgelijk geval is begin mei beoordeeld door het gerechtshof te Den Bosch. Ook daar ging het over een opleiding, waarbij de student kort na het begin van het collegejaar ophield met de opleiding. Het hof oordeelde dat het beding dat de student het hele collegegeld voor een jaar moest betalen ongeldig. De student hoefde alleen maar voor de 5 weken dat hij de opleiding volgde te betalen.

Van ongeveer dezelfde orde is een zaak waarover het Hof van Justitie zal moeten oordelen en waarin de Advocaat Generaal van het Hof van Justitie al een advies gaf. Het gaat daar in het bijzonder ook om de vraag of een hogeschool als verkoper in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen moet gelden. De richtlijn definieert namelijk het begrip verkoop als iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij de betreffende overeenkomst handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.

Het ging hier om een bedrag van € 1.546,00 voor een studiereis, welk bedrag bij niet tijdige betaling zou worden verhoogd met 10% rente per jaar. Een ware woekerrente.

Een beding in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen is ook oneerlijk indien de consument bij niet nakoming van de overeenkomst wordt geconfronteerd met een buitensporige schadevergoedingsverplichting. Daarvan lijkt in het onderhavige geval sprake te zijn