Heeft u uw veertiendagenbrief inmiddels op orde?

11 april 2017

sommatie en buitengerechtelijke incassokosten

Wellicht, dat u de afgelopen maanden wel iets gehoord heeft over de veertiendagenbrief, maar heeft u met deze informatie voorlopig niets gedaan. Daar kunt u nu verandering in brengen. Het lijkt mij dan ook, dat het geen kwaad kan nog eens stil te staan bij het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2016.

Sinds 1 juli 2012 bevat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een regeling om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. De kantonrechter te Almere heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en een aantal prejudiciële vragen voorgelegd m.b.t. de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten door de consument-schuldenaar na verzending door crediteuren van een zogeheten veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Voornoemde bepaling luidt als volgt:

“De vergoeding volgens de nadere regels (lees: de buitengerechtelijke incassokosten op de voet van in art. 6:96 lid 5 BW bedoelde Besluit buitengerechtelijke incassokosten) kan indien de schuldenaar een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, eerst verschuldigd worden nadat de schuldenaar na het intreden van het verzuim, bedoeld in artikel 81, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning.”

In zijn arrest van 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405 oordeelde de Hoge Raad reeds, dat art. 6:96 lid 6 BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien de schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten van incassohandelingen is overgegaan en de daarin genoemde veertiendagenbrief aan de consument-schuldenaar heeft gestuurd, bij uitblijven van de betaling binnen de termijn van veertien dagen de in het Besluit genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke incassohandelingen door de consument-schuldenaar verschuldigd wordt, zonder dat de schuldeiser gehouden is daartoe nog nadere incassohandelingen te verrichten.

Alleen ten aanzien van een consument-schuldenaar – dit ter voorkoming dat de consument wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten – is voorgeschreven, dat de schuldeiser hem eerst nog een veertiendagenbrief moet sturen.

Wat was nu het geval, dat heeft geleid tot het arrest van de Hoge  Raad van 25 november 2016?

Fa-med heeft een door een zorgverlener aan haar gecedeerde vordering getracht te incasseren bij een consument-schuldenaar (iemand die op 25 maart 2014 een tandheelkundige behandeling heeft ondergaan, hierna: verweerster). Tot zover niets bijzonders.

Nadat Fa-med een factuur heeft verzonden aan de consument-schuldenaar werd deze niet binnen de door Fa-med gestelde termijn voldaan en worden na ingebrekestelling na aanmaning buitengerechtelijke incassokosten in rekening gebracht, van betaling waarvan Fa-med in rechte betaling vordert. Op zich zelf beschouwd is het belang niet groot (€ 110,33 aan incassokosten en € 0,48 aan rente), maar het belang voor de praktijk is het dat wel.

Fa-Med legt aan haar vordering ten grondslag dat [verweerster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting door de factuur niet tijdig te betalen.

Verweerster betwist de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten.

Door de Hoge Raad zijn de gestelde prejudiciële vragen beantwoord.

Belangrijkste conclusie is, dat de consument-schuldenaar de volle veertien dagen dient te krijgen om de vordering te betalen, zonder dat incassokosten verschuldigd zijn. De veertiendagentermijn begint te lopen na ontvangst (dus niet al na verzending) van de aanmaning.

Het is zoals hiervoor blijkt dan ook van belang, dat de aanmaning de consument-schuldenaar heeft bereikt. Daarbij is van belang er bij stil te staan, dat gewone post door PostNL in tenminste 95% van de gevallen bezorgd dient te worden op de dag, niet zijnde een zondag, maandag of officiële feestdag, volgend op de dag van aanbieding aan PostNL.

De in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde veertiendagentermijn vangt derhalve (pas) aan daags na die waarop de aanmaning door de schuldenaar is ontvangen. Dat strookt met de bedoeling van de wetgever dat de schuldenaar in ieder geval (de volle) veertien dagen de gelegenheid heeft het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden.

In procedures dient een schuldeiser feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen, wanneer de consument-schuldenaar de brief moet hebben ontvangen. Bij betwisting is het handig indien de schuldeiser een aangetekend verzonden brief heeft of de brief door een deurwaarder is betekend.

Bij de aanmaning is de juiste formulering (vermelding van de juiste termijn) voor de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke kosten van groot belang. De formulering dat incassokosten verschuldigd worden indien niet betaald is “binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd” of “binnen vijftien dagen nadat deze brief bij u is bezorgd” voldoet volgens de Hoge Raad aan de wettelijke eisen.

De vermelding dat betaald moet worden “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief” vindt in de ogen van de Hoge Raad geen genade. In een dergelijk geval worden de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

De Hoge Raad merkt daarbij op, dat het schuldeisers vanzelfsprekend vrijstaat, mede ter voorkoming van het risico dat de aanmaning vanwege een onzuivere formulering zonder gevolg blijft, een langere termijn dan de wettelijke termijn van veertien dagen te geven.

Wil de schuldeiser recht hebben op betaling van incassokosten, dan dient hij (zo nodig alsnog) een aan de wettelijke eisen beantwoordende veertiendagenbrief aan de schuldenaar te verzenden. De Hoge Raad overweegt, dat een onjuist vermelde termijn, die bijvoorbeeld een dag te kort was, dus niet ‘gerepareerd’ kan worden door nog een korte extra betalingstermijn van bijvoorbeeld een week of tien dagen te geven.

De rechter toetst ambtshalve bij verstekzaken of de schuldeiser voldoende heeft gesteld voor toewijzing van de gevorderde incassokosten en of de schuldeiser overeenkomstig die regels heeft gehandeld. In zaken op tegenspraak is de rechter uit eigener beweging bevoegd dit te onderzoeken.

Tijdig gedane deelbetalingen hebben (uiteraard) consequenties voor de hoogte van de verschuldigde incassokosten. Bij tijdig gedane deelbetalingen dienen de verschuldigde incassokosten te herberekend over het alsdan resterende verschuldigde bedrag.

Wilt u meer weten? Neem dan even contact op met Mink Severiens, partner van Dijks Leijssen Advocaten & Rechtsanwälte (email: severiens@dlar.nl)